VIERDAAGSE

Het was donderdag 23 Juli 1998. De derde dag van de Nijmeegse Vierdaagse, de dag van de Zeven Heuvelen. We waren nog geen tien kilometer onderweg en ik dacht aan opgeven. De blaren op mijn hiel en mijn tenen brandden in mijn schoenen, hoe goed ik ze die ochtend ook had ingetapet. Ik werd voorbijgelopen door alles en iedereen, het leek of ik inmiddels in de staart van de grote groep wandelaars liep. De dag ervoor had ik ook al zoveel last gehad en was ik nog maar net op tijd binnengekomen. Het ging gewoon niet meer. Ik liep naar de eerste de beste rustplaats om me af te gaan melden en te vragen hoe ik het beste weer terug kon komen bij de start.

Ik was inmiddels al bijna een jaar gescheiden, maar ik woonde nog steeds in dezelfde patiowoning in Houten, met minder meubels en kale plekken op de muur. Mijn baan had ik nu al meer dan elf jaar bij hetzelfde bedrijf. Eigenlijk had ik de Vierdaagse met mijn oudste zus willen lopen, zij was na de scheiding elk weekend met me gaan wandelen. Twee weken voor het begin van de tocht had ze afgebeld, ze had last van haar knie en durfde niet meer. En dus liep ik alleen. Al na vijftien kilometer op de eerste dag had ik de eerste blaren gevoeld. Misschien had ik er beter aan gedaan mijn nieuwe wandelschoenen eerst eens grondig in te lopen. Nu was het een ware marteltocht geworden. Overdag lopen, ‘s avonds de blaren verzorgen en dan veel te kort slapen voordat de wekker weer ging.

Terwijl ik in het gras zat en de pleisters op mijn blaren controleerde, begon het zachtjes te regenen. Ik keek op en dacht ineens: waarom laat ik altijd alles afhangen van de omstandigheden? Van blaren, van regen en van al die andere wandelaars die harder lopen dan ik? En ineens drong tot me door dat ik me de afgelopen tijd eigenlijk alleen maar als een slachtoffer had gedragen.

Even later trok ik mijn schoenen aan. Ik stond op, liep voorbij de Rode Kruispost naar de uitgang van de rustplaats en vervolgde mijn weg. Door de zachte motregen, in mijn eigen tempo. De rest van de dag dacht ik aan een nieuw leven. Aan een andere baan, aan een ander huis, aan een nieuwe relatie. Ergens op een van die zeven heuvelen nam ik het besluit mijn huis te koop te zetten en een makelaar in de arm te nemen om een huis in Amsterdam te zoeken. Vanzelf ging ik harder lopen, ik kon zelfs kilometers lang een peloton marcherende Noorse soldaten volgen. Ik kwam die dag ruim op tijd binnen. En de volgende dag werd een ware zegetocht, waarbij ik van mijn zus langs de kant een gladiool in mijn handen kreeg gestopt. Ik had hem uitgelopen, ik had het gehaald.

Het moment bij die rustplaats op de derde dag van de Vierdaagse veranderde mijn leven. Daar besloot ik niet langer het slachtoffer te zijn van allerlei omstandigheden, maar mijn leven weer in eigen hand te nemen. In het jaar daarna is alles veranderd.

Transformatieverhalen inspireren. Mensen, organisaties en gemeenschappen die in staat zijn zichzelf te transformeren spreken altijd tot onze verbeelding. Ze breken met het verleden, ze verleggen de grenzen, ze veranderen de gangbare manier van denken. Ze wekken onze bewondering door op zoek te gaan naar iets nieuws, gebaseerd op een nieuw verworven fundament. Waarmee ze hun leven een radicaal andere draai gaan geven, waardoor ze zaken voorgoed en onomkeerbaar gaan veranderen. En hoewel de ommekeer in een transformatieverhaal vaak een grote is, is de verschuiving die eraan ten grondslag ligt ogenschijnlijk een minieme. Een paar blaren, iets te weinig slaap en wat regen; meer was er niet voor nodig om mijn leven voorgoed op zijn kop te zetten.

Dit artikel is een fragment uit Change the Script. Het  verscheen eerder op de site van Bex*communicatie.