IMAGINE

Laatst verzorgde ik in het hoge Noorden een Masterclass Storytelling in het kader van een leergang Zinvol Leiderschap van Bindje. Een feest om te mogen doen. Maar nog mooier was het verslag van Wiro Kuipers, dat ik een paar dagen later onder ogen kreeg. Ik vond het zo mooi geschreven, dat ik het – met zijn toestemming – hieronder onverkort heb weergegeven. 

 

Stel je eens voor…

Theo Hendriks over Storytelling

Meer dan honderd jaar terug, in 1907, leende Jim Casey honderd dollar van een vriend, om een nieuw bedrijf te beginnen. The American Messenger Company noemde hij zijn bedrijf, van waaruit hij te voet en met de kersvers aangeschafte fiets pakketjes vervoerde in en rond Seattle. Die honderd dollar (omgerekend naar nu zo’n $ 1.500) heeft Jim al lang terug betaald, het bedrijf werd namelijk een succes: UPS heet het tegenwoordig, met 400.000 medewerkers wereldwijd en een jaaromzet van $ 54 miljard.

Wat een mooi verhaal, niet? Het is een typisch voorbeeld – zij het wat ingekort – van een Amerikaans succesverhaal, waarvan we er nog talloze meer weten te reproduceren (Google, Apple, Starbucks, et cetera). Verhalen vinden we echter ook veel dichter bij huis: in de ontmoetingen die we dagelijks hebben met andere mensen. In de serie Zinvol Leiderschap vertelde Theo Hendriks daarom over het bewust inzetten van ‘Storytelling’ in organisaties. Hieronder lees je mijn verhaal over zijn verhaal.

 

En toen… en toen… en toen…

Hoewel de verhaallijn wat eentonig is, kan ik me helemaal inleven in het verhaal dat mijn twee jaar oude dochter me voorschotelt, of het nu waar is of niet. Datzelfde geldt voor de verhalen die ik hoor over een vistrip naar Frankrijk, op een verjaardag met vrienden, en voor de roddels die op maandagochtend worden uitgewisseld rond de koffieautomaat. Van jongs af aan hebben we te maken met verhalen. Over Kikker en zijn vriendjes, Repelsteeltje en The Simpsons, in kinderboeken, sprookjes en op TV. En in de verhalen die we zelf maken en elkaar vertellen, elke dag weer.

Wij, mensen, zijn dol op die verhalen. Ze nemen ons mee en houden ons bij de les. Ze prikkelen onze verbeelding. Ze geven betekenis aan wat we ervaren en duiden ‘de wereld’. Als je helemaal in een verhaal zit, vergeet je wat daar buiten gebeurt en maak je onderdeel uit van een nieuwe werkelijkheid. Die werkelijkheid kun je dus creëren, door verhalen te vertellen. Mensen zijn wandelende verhalenmachines: Geef mensen woorden en ze maken er beelden van, zegt Hendriks daarover.

 

Creëren van een nieuwe werkelijkheid

Voor leiders die mensen willen meenemen in een verandering is het daarom van belang om verhalen te kunnen vertellen. Verhalen die een nieuwe werkelijkheid verbeelden, en die mensen zich kunnen voorstellen. Daardoor blijven die verhalen mensen langer bij: ze voelen zich ermee verwant en hebben een concreet beeld in hun hoofd. Desondanks gaat het in de ‘echte wereld’ nog vaak over ‘waarheidsvinding’ in plaats van ‘werkelijkheidscreatie’: over logica, onzekerheidsreductie en controle.

In die wereld wordt volgens Hendriks veel ‘vergadertaal’ gebezigd: vaststaande feiten, objectief bepaald, direct geduid, abstract verbeeld en analytisch benaderd. Met die taal vul je een informerende rol in en je toehoorder maak je tot een kritisch beschouwer. Daar tegenover staat ‘verhalentaal’, met meer vage en subjectief geladen begrippen, indirect geduid, levendig verteld en gericht op verbeelding. Die taal zet je in om te vertellen, aan iemand die geen kritisch beschouwer, maar een betrokken deelnemer is.

 

Maar dan…

“En toen… en toen… en toen…” – de manier waarop mijn dochter verhalen vertelt – is vanzelfsprekend niet de manier waarop je een aansprekend verhaal opbouwt, dat zorgt voor betrokken deelnemers. Dat wordt een saai verhaal. Daarom moeten er ‘maar dan’ situaties in je verhaal voorkomen: momenten van tegenslag, hulp en ommekeer. ‘Maar dan’ momenten maken een verhaal, ‘en toen’ momenten doen dat niet. Wat zou er immers gebeurd zijn als Roodkapje niet van het pad was afgedwaald?

Die ommekeer of omslag is één eigenschap van een aansprekend verhaal, en heeft directe impact op het lot van de ‘held’, de midden in ieder verhaal staat en iets wil. Dat wat hij of zij wil richt zich vaak op een ‘begunstigde’, zoals grootmoeder in het verhaal van Roodkapje. Daarnaast is er meestal een gangmaker die de held heeft aangezet: Roodkapje’s moeder. De held, de begunstigde en de gangmaker spelen een rol in het verhaal: een bepaald handelingsverloop, met een begin, een midden en een eind. Dat verhaal hangt samen volgens de regels van waarschijnlijkheid en noodzakelijkheid: de uitkomst ervan is onvermijdelijk.

Een laatste belangrijke regel, waar je rekening mee moet houden bij het vertellen van je verhaal, is dat het nergens de grens van het overzien en onthouden overstijgt. Zorg dus dat je je richt op de essentiële ‘scenes’ van je verhaal. Hoe kleiner je het maakt, hoe beter jij (en de toehoorder ook) het verhaal kunt onthouden. Probeer in te zoomen op de emotie uit het verhaal dat je over wilt brengen. Bijvoorbeeld: het bombardement op Rotterdam kan je als scene benutten om het verhaal van de hele oorlog te vertellen.

 

Spreken in de fantasie van je publiek

Er is zoveel te vertellen (veel meer dan het verhaal van het bombardement bijvoorbeeld); de kunst is om dat terug te brengen naar de essentie – welke scenes van de film vertellen het hele verhaal? Kies de momenten waar het echt om gaat; dat zijn de momenten waarop er echt iets op het spel staat. Vaak zijn dat conflictueuze situaties; gebeurtenissen die niet stroken met de gang van alledag; die de status quo verstoren.

Je publiek luistert voor de spanning, en laat zich daarin (in gedachten) meeslepen. Zorg dus dat het geen saai verhaal is, dat je hebt te vertellen! Breng de spanning erin, door toe te werken naar het conflict, the point of no return (de escalatie) en de climax. Besef dat je kunt spelen met woorden en dat daarmee beelden ontstaan in de hoofden van je toehoorders. Vertellen is spreken in de fantasie van je publiek, zegt Hendriks daarover.

Om dat te doen heb je alles bij je: je woorden, je stem en je lichaam. Als je gaat vertellen, zie de situatie waar het om gaat dan weer voor je en herbeleef het; dan gaat je lichaam vanzelf mee. Herbeleef de details en je weet weer wat je zintuigen ervoeren; die ervaring kun je overbrengen met je verhaal. Schroom niet om gebruik te maken van contrast, om onderdelen van je verhaal uit te vergroten, maar pas op voor holle retoriek, cliché’s of moeilijk voor te stellen begrippen, als de ‘participatiesamenleving’.

 

Uitvergroten van het buitengewone

In haar TED-talk ‘On being wrong’ zegt Kathryn Schultz letterlijk:  “We hebben momenten van verbazing, omkering en onjuistheid nodig om verhalen te laten werken. Hendriks noemt die momenten ‘conflicten’. Een conflict is een verstoring van een harmonieuze toestand, die zorgt voor een verschil tussen een verwacht resultaat en wat zich werkelijk voordoet. Zo’n verstoring – en hoe ‘ie uitpakt – roept nieuwsgierigheid op bij mensen, waardoor ze meer willen weten, beter luisteren en het verhaal beter onthouden.

Wil je dus een verhaal vertellen? Zoek dan naar buitengewone situaties en conflicten en vergroot die uit. Pak de alleszeggende scene en verhaal daarover, tot in detail. Laat mensen zich inleven in de verstorende situatie en laat ze doorleven wat er verandert door die verstoring. Zo neem je ze mee in je verhaal. En: laat het daarbij! Laat je publiek je verhaal interpreteren, maar leg het niet uit. Dan zet je het beeld stil en stop je de verbeelding. Je staat een verhaal te vertellen, vergeet dat niet; je bent geen statische Wikipedia-pagina…

 

Stel je eens voor…

Als je dit stuk zo dadelijk hebt gelezen ga je vast en zeker weer over tot de orde van de dag. Wellicht heb je dadelijk een vergadering, een acquistiegesprek of een etentje met vrienden. In alle gevallen: let eens op hoeveel verhalen er langskomen in die ontmoeting, en ga eens na hoeveel conflict-achtige situaties je waarneemt. Hoe jij naar de wereld kijkt, wat jij ziet en wat jou opvalt: dat voedt jouw verhaal, waar je je eigen persoonlijke draai aan kunt geven, in welke situatie ook.

Vertellen begint dus met zien: met kijken naar de huidige situatie en het je voorstellen van een nieuwe werkelijkheid. De woorden die je daarna kiest om ook anderen daarin mee te nemen maken je verhaal. Zorg dat dat simpel, concreet, dichtbij, beeldend, menselijk, overzichtelijk en buitengewoon is voor je toehoorders: dan komt het maximaal aan. Dat doet het vooral wanneer je in je manier van vertellen een vliegende start maakt (Val met de deur in huis), vertraagt als het kan (Zoek het slow motion-moment), uitvergroot waar het moet (Wat is het conflict-moment?) en finisht als een echte atleet: klinkend als een klok.

Door jouw verhaal (zó) te vertellen, zorg je voor echte verandering bij mensen: je biedt ze een nieuwe werkelijkheid en neemt ze mee. Dat is pas ‘zinvol leiderschap’. Kun je het je voorstellen? Vast en zeker. Nu is het zaak dat anderen te laten doen: vertel!